Steun ons en help Nederland vooruit

zaterdag 26 maart 2016

De christelijke waarden van D66

Vrijheid is één van de kernwaarden van D66. Maar is de vrijheid eigenlijk wel veilig bij de partij? Niet als je het Gert-Jan Segers, fractievoorzitter van de ChristenUnie, vraagt. In een spraakmakend interview met Trouw sprak hij zich onlangs uit tegen de democratische luiheid van liberalen. Nu het politieke tij hen meezit en een meerderheid van de bevolking seculier is, groeien steeds meer mensen volgens Segers op met een wereldbeeld waarin de mensheid is verdeeld tussen normale mensen en gelovigen: “Die zijn anders. Je denkt: die moeten een beetje normaal doen met hun eigen scholen en kosjere slacht. Die impuls zie ik op dit moment bij de liberalen, bij VVD en D66.”
Segers noemt een reeks plannen, waarin de vrijheid van gelovigen zou worden beperkt: of het nu gaat om het kunnen vervolgen van kerkgenootschappen, het verbod op de rituele slacht, het loslaten van het richtingbegrip in het onderwijs of het initiatiefwetsvoorstel om ‘bij de gratie Gods’ uit de wetsaanhef te schrappen, steeds lijken de liberalen er volgens Segers op gebrand om “elke herinnering aan het religieuze verleden of aan de rol van religie in onze cultuur uit de weg te ruimen”. Zijn waarschuwing is helder: scheer niet alle gelovigen over één kam en heb respect voor het religieuze verleden.

Er is veel te zeggen voor Segers pleidooi voor gelijkheid. Toch wringt de schoen. Waarom genieten kerkgenootschappen eigenlijk privileges? Een beroep op het ‘religieuze verleden’ is mager om hen van strafvervolging vrij te stellen of toegang tot de publieke basisregistratie personen te geven. Zulke privileges mogen historisch gegroeid zijn, ze staan bovenal haaks op fundamentele opvattingen over de scheiding van kerk en staat. Segers beoogt dan ook niet zozeer het ‘religieuze verleden’ in stand te houden, als wel de religieuze privileges. Plannen om die te beperken zijn moeizaam rancuneus te noemen, maar wel goed te verenigen met fundamentele opvattingen over de democratische rechtsstaat.
Dit laat onverlet dat Nederland wordt getekend door een cultuur waarin het christendom eeuwenlang bepalend is geweest. Gelovigen en niet-gelovigen delen belangrijke waarden, bijvoorbeeld ten aanzien van de menswaardigheid. Het christelijke verleden duikt overal op. Zo togen ook niet-gelovigen op Goede Vrijdag, voorafgaand aan de algemeen erkende Paasfeestdagen, graag naar de kerk om van de Matteüspassie te genieten. Het religieuze verleden komt niet tot uiting in historisch gegroeide privileges, maar in de gezamenlijke cultuur.

In een krachtig pleidooi dat Boris van der Ham, voorzitter van het Humanistisch Verbond, onlangs voor Route66 hield, sprak hij zich uit tegen de ‘canonfobie’ van D66. De partij kan veel leren van de wijze waarop christelijke partijen hun waarden bespreekbaar maken. Zowel gelovigen als niet-gelovigen zijn tenslotte voortdurend op zoek naar antwoorden op levensvragen. Zij hebben behoefte aan een referentiekader en zingeving. Hun antwoorden worden echter zelden gevonden in het strikt rationele denken van veel liberalen.
Door zijn woorden dwaalden mijn gedachten weer af naar het D66-voorstel om ‘bij de gratie Gods’ uit de wetsaanhef te schrappen. Wat door critici is afgedaan als haarkloverij en ‘christentje pesten’, is in wezen een poging een historische ongelijkheid recht te zetten. Zoveel werk als is verzet om de lezenswaardige toelichting te schrijven, zou de sociaal-liberale partij nu echter mogen verrichten om kwesties als segregatie in de samenleving en eenzaamheid onder ouderen aan te pakken. Een partij die vrijheid nastreeft, kan onvrijere groepen niet links laten liggen. Persoonlijk zou ik uitzien naar een kabinet waarin ChristenUnie en D66 het beste van elkaar durven te laten zien.