Steun ons en help Nederland vooruit

zaterdag 25 juni 2016

De piloot van Joris Luijendijk en andere laagvliegers

In zijn vliegtuig genaamd financieel systeem trof Joris Luijendijk na ontluisterende gesprekken in de ‘businessclass’ tot zijn schrik niet wat hij zocht: een piloot. In een verbonden, maar gedecentraliseerde wereldeconomie met ruim 7 miljard actoren met ieder een eigen ambitie, hoop en drift, is een dergelijke voorstelling misleidend, weinig constructief en bovendien populistisch.

De zoektocht naar een oorzaak van de financiële crisis gaat terug naar de fundamentele vraag hoe waarde wordt geschat en geld wordt gecreëerd. De inschatting hoeveel iets waard is is subjectief en onzeker. Hoeveel we nu betalen voor een broodje, huis of complex financieel product hangt af van hoeveel we denken dat anderen er bereid zijn ervoor te betalen en hoe de toekomst zich ontwikkelt. Deze toekomst kent niemand.

Hoewel risico in normale tijden te beschrijven is door “ingewikkelde wiskundige modellen”, die niets meer zijn dan wiskundige beschrijvingen van tijdelijke patronen in prijzen en koersen, resteert altijd zogenaamde radicale onzekerheid. Bepaalde ontwikkelingen laten zich niet met zekerheid voorspellen, vanwege het simpele feit dat zij nog niet eerder zijn gebeurd. De ontwikkeling van de verbrandingsmotor, elektriciteit, het internet, maar ook klimaatverandering en de ontwikkeling van huizenprijzen in de Verenigde Staten had niemand zien aankomen. Net als het weer dat traditioneel enkel voor een week vooruit wordt voorspeld, is de toekomstige ontwikkeling van waarde door niemand met zekerheid te voorspellen en al helemaal niet door een alwetende overheid of een met veel machtsmiddelen behepte toezichthouder.

De groepsdynamiek van alle 7 miljard actoren, die allemaal hun eigen inschatting maken van de waarde van alles om zich heen leidt tot crisis. In de aanloop naar een crisis, laat eenieder zich in zijn subjectieve waardering leiden door de waardering van anderen. Ook politici, toezichthouders en beleidsmakers gaan mee. De waarde van het goed schiet omhoog: tulpenbollen, dot-com bedrijven, onroerend goed, complexe financiële producten; iedere crisis is het weer wat anders. De illusie dat ‘wenkbrauwgesprekken’ door toezichthouders en een overmaat aan kostbare regelgeving – schijnbaar effectief in normale tijden – ook in abnormale tijden hun werk zullen doen, doet wenkbrauwen fronzen.

Crisis zijn echter het probleem niet. Ze zijn inherent onderdeel van vooruitgang, een manier om oude ideeën achter ons te laten en te leren van fouten: creatieve vernietiging. Het probleem is dat van de noodzakelijke risico’s door banken genomen in hun zoektocht naar waarde, de winsten in goede tijden in private handen blijven en de verliezen in slechte tijden bij de belastingbetaler terechtkomen. Bij fractioneel bankieren (fractual reserve banking) is dergelijke ingrijpen in principe noodzakelijk voor de stabiliteit van het systeem en het voorkomen van bankruns.

In de zomer van 2008 was de piloot van Joris Luyendijk er wel degelijk, in de vorm van overheden en centrale banken die op grote schaal de controle overnamen met kapitaalinjecties, als laatste kredietverstrekker (lender of last resort), en het vliegtuig in de lucht hielden.

Hoewel de sinds de crisis verhoogde kapitaal en liquiditeits-eisen en toezicht vanuit Frankfurt binnen de Europese Bankenunie de kans op een tweede financiële crisis wellicht tijdelijk hebben verlaagd, blijft het probleem ongewijzigd. In plaats van overheden en centrale banken als laatste kredietverstrekker, doet Mervyn King, voormalig gouverneur van de Engelse Centrale Bank, in zijn recente boek “The End of Alchemy” een radicaler voorstel: de centrale bank als pandjeshuis van alle seizoenen (“pawnbroker for all seasons”).

In plaats van dubieuze assets aangeboden in ruil voor liquiditeit in tijden van crisis, biedt iedere bank ruim voor de crisis, in ieder seizoen, voldoende onderpand aan bij de centrale bank. De centrale bank waardeert het onderpand. Deze effectieve liquide bezittingen (effective liquid assets) moeten groter in waarde zijn dan de effectieve liquide verplichtingen (effective liquid liabilities), de schulden aan depositohouders in het bijzonder: een liquiditeitsverzekering die de overdracht van verliezen door banken aan de belastingbetaler moet beperken. In plaats van de emergency pilot of last resort, hebben in dit voorstel alle bancaire passagiers hun eigen reddingvest al om, klaar voor de volgende onvermijdelijk crisis.

Door: Ton van den Bremer
The End of Alchemy: Money, Banking and the Future of the Global Economy, by Mervyn King, Little, Brown,