Steun ons en help Nederland vooruit

zondag 22 november 2015

D66 verandert, en dat is helemaal niet erg

Hoera! Volgend jaar bestaat onze partij 50 jaar. We pakken groots uit om te
vieren dat we al een halve eeuw meedraaien in de Nederlandse politiek. Een
halve eeuw waarin we zijn uitgegroeid tot de enige sociaal – liberale partij van
Nederland. Waarin we ervoor hebben gezorgd dat Nederland als eerste land ter
wereld het huwelijk heeft opengesteld voor paren van gelijk geslacht en waarin
we euthanasie hebben gelegaliseerd. Waarin we vorig jaar de grootste partij
werden in onder meer Amsterdam, Utrecht, Den Haag, én in het Europees
Parlement. En alsof dat nog niet genoeg is, mogen we op 6 april voor
het eerst stemmen in een heus correctief referendum, mede mogelijk gemaakt door
een initiatiefwet van D66.

Dat referendum, daar begon het ooit mee. “We wilden een ingrijpende
staatsrechtelijke vernieuwing, omdat we zagen dat er een grote afstand was
gegroeid tussen de bestuurders en de burgers, doordat de regering niet kon
regeren en het parlement niet kon controleren en dat was één oorzaak van de
malaise.” Hans van Mierlo zei het zelf op het partijcongres van 14 september
1968. Hij legde uit hoe het nodig was om het partijstelsel te laten ontploffen
en naar een praktische in plaats van ideologische politiek te gaan, om
uiteindelijk te realiseren waarvoor D66 is opgericht: de democratisering van de
samenleving. Met een betere band tussen kiezer en verkozene in een
districtenstelsel, met een gekozen premier en met de mogelijkheid van een
referendum.

In 1972 werd dit geprobeerd met Keerpunt ’72: een stembusverbond
met de PvdA en de PPR, waarmee al vóór de verkiezingen werd voorgesorteerd op
een progressieve coalitie, zodat de kiezers wisten waar ze voor stemden, en er
werk gemaakt zou worden van de staatsrechtelijke prioriteiten van D66. Dit
mislukte en D66 evolueerde. Af en toe werd nog een poging gedaan om deze punten te
realiseren, maar zij liepen vast op de moeizame manier waarop in Nederland de
grondwet wordt gewijzigd, waardoor er steevast een senator met geldingsdrang in
een nachtelijke stemming in de Eerste Kamer deze plannen torpedeerde.

De partij profileerde zich langzamerhand steeds nadrukkelijker op de politieke inhoud in
plaats van op de politieke spelregels. Aandacht voor duurzaamheid, een sterk
pleidooi voor Europese samenwerking, vertrouwen op de kracht van mensen, maar
mensen ook zoveel mogelijk kansen bieden om vooruit te komen, met name door
onderwijs.

De anti-ideologische, anti-dogmatische en ultra-pragmatische partij
van weleer durfde het in 1998 aan om zichzelf een -isme aan te meten, namelijk
het sociaal-liberalisme. Er werden vijf richtingwijzers voor het politieke
handelen ontwikkeld. Nog net geen dogma’s, maar op z’n minst stevige
piket paaltjes die de basis werden van de politieke gedachtevorming. Op het
meest recente congres deed fractievoorzitter Alexander Pechtold een appèl op
moreel leiderschap van het kabinet. Precies, de partij die tot nog niet zo lang
geleden wars was van moraliteit en puur pragmatische politiek bedreef, doet een
moreel appèl. Het kan verkeren en dat is een goede zaak.

D66 is opgericht in een nogal specifieke tijdgeest. Hippies, provo’s, happenings bij
het Lieverdje, studentenprotesten, langharig tuig tegen de spruitjes lucht. De oprichters van D66 zagen in dat er dingen moesten veranderen, maar dat Nederland van een revolutie
ook niet zou opknappen. Terugkijkend is de politiek inderdaad vele malen transparanter
geworden dan in 1966, is er een betere band tussen kiezer en verkozene en
wordt er meer naar het volk geluisterd. Niet zo zeer vanwege nieuwe politieke
spelregels, maar vanwege technologische mogelijkheden, ontwikkelingen
in de media en opiniepeilingen die over elk mogelijk onderwerp worden gehouden.
Als D66 nu nog zou pleiten voor de oplossingen die in 1967 in het
verkiezingsprogramma stonden, zou de partij op z’n best een sympathiek
anachronisme zijn, en in het slechtste geval een conservatieve wolf
in progressieve schaapskleren.

D66 blijft zichzelf dus opnieuw uitvinden en zal dat ook de komende 50 jaar
moeten blijven doen. Voor de problemen van deze eeuw zijn andere oplossingen
nodig dan in 1966. De uitdaging daarbij is om koers te houden tussen enerzijds
fladderend pragmatisme en anderzijds dogmatische verstening van onze
richtingwijzers. De enige manier om dat te waarborgen, is debat. Zo kan het
gebeuren dat Laurens Jan Brinkhorst en Bob van den Bos, twee mastodonten die al
bij de partij zaten toen de staatsrechtelijke hervormingen nog onze
topprioriteit waren, zich publiekelijk uitspreken tegen het correctief
referendum over het associatieverdrag met Oekraïne. Terwijl kamerlid Kees
Verhoeven, die tien jaar na de oprichting van D66 werd geboren, hartstochtelijk
voorstander is en dat ook hardop roept.

Prima. Laat het maar gebeuren. En dat gaat af en toe knallen, zoals op het
congres in 1998, toen de groep “Opschudding”, met daarin onder meer een
piepjonge Sophie in ’t Veld, zeer tegen de wens van de partijleiding een aantal
controversiële voorstellen aangenomen kreeg, zoals het vaststellen van de
ondertitel “sociaal-liberaal” en het vaststellen van een beginselprogramma.
Alleen op die manier door kritisch te blijven nadenken over de tijdgeest
en de koers van de partij, kunnen we relevant blijven. Want net zoals we nu
niet serieus meer zouden worden genomen als onze belangrijkste punten nog
steeds een districtenstelsel en het referendum zouden zijn, weten we zeker dat
we in 2066 het lachertje van de politiek zijn als we dan niet verder zijn
gekomen dan te declameren dat we vertrouwen op de eigen kracht van mensen.

Het enige wat we daarvoor hoeven te doen is blijven nadenken. Dat kunnen
D66’ers doorgaans als geen ander. Wanneer we in 2066 ons honderdjarig bestaan
vieren, zullen we weer een andere partij zijn dan nu in 2015. En dat is
helemaal niet erg.

Deze column is geschreven naar aanleiding van de Route-zaterdag ‘De geschiedenis van D66’, 3 oktober 2015